Wie zijn de kolonisten?
 
 
De laatste jaren trekken er per jaar gemiddeld zo'n 5000 tot 6000 joodse Israëliís naar de Westelijke Jordaanoever om zich daar definitief te vestigen, inmiddels wonen er nu al meer dan 100.000 joodse Israëliís in de Westelijke Jordaanoever. Een groot deel van deze mensen is vanuit ideologische motieven gekomen, terwijl de laatste jaren steeds meer mensen uit economische motieven naar de Westelijke Jordaanoever verhuizen.

 

Ideologische motieven, Gush Emunim
 

De aanwezigheid van kolonisten in de bezette gebieden is vooral sinds het aan de macht komen van Likud in '77 door de Israëlische regering bevorderd. Tijdens de eerste jaren van de bezetting, toen de Arbeiderspartij nog aan de macht was, werden er hoofdzakelijk militaire nederzettingen gebouwd, vooral gelegen in de Jordaanvallei, langs de grens met Jordanië.
Maar al direkt na de zesdaagse oorlog ijverden ideologische groeperingen, die de bezette gebieden beschouwden als een integraal onderdeel van ĎEretz Israëlí (Groot Israël), voor een totale inlijving van de bezette gebieden.
Op 10 april 1968 nam een groep van 93 fundamentalistische joden haar intrek in het Park Hotel in Hebron (Westelijke Jordaanoever) om daar het Paasfeest te vieren. Na deze Paasvakantie kondigden zij aan dat ze wilden blijven om te zorgen voor een 'joodse aanwezigheid' in de stad en dat ze zich daar wilden vestigen. Ze werden overgebracht naar een militair 'verblijf' en de zaak werd door een commissie in onderzoek genomen. Twee jaar later kregen zij officieel toestemming om de nederzetting Kiryat Arba te stichten, die sinds die tijd het centrum is geweest van extreem-rechts religieus fundamentalisme. De leider van de oorspronkelijke kolonisten was Rabbijn Moshe Levinger, die nadien betrokken is geweest bij een reeks van anti-Palestijnse acties, waaronder het doodschieten van een 42-jarige Palestijn in Hebron. Levinger was oprichter en leider van de Gush Emunim (Blok van Getrouwen), die sinds 1974 een sterke lobby-club van kolonisten is.

Gush Emunim

Deze beweging is opgericht in de nasleep van de oorlog in 1973, toen veel kolonisten bang waren dat er vredesakkoorden tussen Israel en Arabische landen zouden komen, waarin een groot deel van de bezette gebieden teruggegeven zouden moeten worden. De oprichters van Gush Emunim geloofden dat God voor de overwinning van 1967 had gezorgd en dat het in Gods bedoeling lag dat zij meer land van Israël zouden bevrijden. Het was een teken dat de komst van de Messias nabij was, en het was de plicht van alle joden om zich in alle delen van 'Het Land Israël' te vestigen, inclusief de dichtbevolkte Palestijnse gebieden.
Gush Emunim begon nederzettingen te stichten in het midden van de Westelijke Jordaanoever, op papier was dat tegen de politiek van de Arbeiderspartij maar de praktijk was anders.

Regeringsbeleid: legalisatie

Er kwam weinig oppositie vanuit de Arbeiderspartij, en terwijl de regering officieel het leger de opdracht gaf om de nederzettingen te verwijderen kregen de kolonisten steun van de Minister van Defensie S.Peres. Nadat bijvoorbeeld een groep kolonisten ontruimd was in Elon Moreh nabij Nablus, regelde Peres dat zij werden overgebracht naar Qaddum (een militair kamp), waar hij water en electra voor hen liet aanleggen. Tegen de tijd dat Likud aan de macht kwam in 1977 had Gush Emunim 5 'illegale' nederzettingen gebouwd met steun van Peres (Ofra, Qaddum, Elkana, Dothan en Ma'ale Adumim).
Likud legaliseerde ze en ging verder met een uitgebreid nederzettingenprogamma dat voor een deel al voorbereid was door de voorgaande Arbeiderpartijregering.
Frontsoldaten
Het realiseren van nederzettingen in de bezette gebieden wordt vaak gevolgd door bewapende excursies naar Palestijnse steden en bewapende voettochten door en nabij Palestijnse dorpen om de vastberadenheid van de kolonisten uit te drukken, dat deze gebieden voor altijd deel uit zullen maken van Israël. Bewapende kolonisten spelen regelmatig de rol van militaire hulpkracht en zijn vaak betrokken bij provoacties tegen Palestijnen. Daar waar de 'officiële' pogingen van Israël om de Intifada te onderdrukken op niets uitliepen, kregen extremistische kolonisten veel meer ruimte om de Palestijnen er onder te krijgen door middel van terreurcampagnes. Hun wapens, organisaties en hun racistische ideologie maken hen geschikt om die rol van milities te spelen.
Op deze manier weten de Israëlische machtshebbers deze kolonisten deels te gebruiken als wegbereiders voor hun eigen politiek en als ideologisch sausje voor andere motieven, motieven die veel meer ingegeven zijn door economische belangen (extra grond en water) en machtspolitiek.
 

Economische motieven
 

Voor veel joodse Israëliís geven economische motieven vaak de doorslag om in de bezette gebieden te gaan wonen. Vanuit de Israëlische regering wordt er altijd ontkend dat het 'voordeliger' zou zijn om in de bezette gebieden te gaan wonen Iedereen die probeert informatie over uitgaven in verband met de bezette gebieden te vinden ontdekt al gauw dat de Israëlische regering onwillig is om hier cijfers over naar buiten te brengen. De informatie bestaat niet in een vorm die onderzoek of beoordeling toelaat. De informatie is afgeschermd van het publiek. Alleen internationale bronnen van informatie, of dagelijks onderzoek naar bouwactiviteiten in de bezette gebieden, maken iets duidelijk over wat er werkelijk aan de gang is. Zelfs leden van de Knesset die om gegevens gevraagd hebben kregen geen respons. Maar de regering verzwijgt niet alleen het financiële gedeelte aan het publiek. Als niet een klein aantal mensen de bouwactiviteiten constant in gaten had gehouden zouden deze activiteiten ook voor een deel verzwegen zijn. Er zijn maar weinig Israëliís die zelf gaan kijken wat er aan de hand is. En wat uit Palestijnse bronnen komt is of niet bereikbaar voor Israëlisch publiek of wordt als propaganda en leugens afgedaan. De prioriteit van de Israëlische regering ligt bij de continuïteit van de bouwactiviteiten zonder inmenging van buitenaf of pottekijkers.
 

Investeringen

Er kan geen twijfel bestaan over de volgende cijfers die vanuit de hoogste Israëlische regeringskringen komen: het ministerie van Volkshuisvesting heeft het afgelopen fiscale jaar 1990-1991 dat eindigde op 1 april 1991, meer dan 1.1000 miljoen NIS (bijna 500 miljoen dollar) geïnvesteerd in nederzettingen in de bezette gebieden. Dit was mede mogelijk omdat de Knesset toestemming had verleend het oorspronkelijke budget te overschrijden. Dit bedrag is 20% van de gehele begroting vanVolkshuisvesting en komt ten goede aan slechts de 2% van de Israëlische bevolking die in de bezette gebieden woont.
Verder zien we grote investeringen vanuit andere ministeries: 70 miljoen door het Ministerie van Onderwijs, 40 miljoen door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, 20 miljoen door het Ministerie van Opvang, 40 miljoen door het Ministerie van Landbouw en daar bij komt nog 50 miljoen van de Wereld Zionisten Organisatie (WZO). Dit alles is dan nog zonder de uitgaven van het Ministerie van Defensie in verband met de nederzettingen. Uit gesprekken met officieren die in de bezette gebieden dienst doen, is gebleken dat zeker 50 miljoen NIS per jaar uitgegeven wordt aan het begeleiden van kolonisten, het bewaken van gebouwen enz. Alles bij elkaar komen de investeringen en onkosten het afgelopen jaar in de bezette gebieden op zo'n 2 miljard dollar.
De uitgaven per hoofd van de bevolking voor door de staat verleende diensten zijn in de nederzettingen op deWestelijke Jordaanoever88.5% hoger dan in vergelijkbare gemeenschappen in Israël. De uitgaven zijn het laatste jaar meer dan 3 maal zoveel als elk van de afzonderlijk jaren van af 1967.
Naast de Staatsbegroting, bestaan er speciale Nederzettingen-fondsen. Het blijkt dat Israelische overheidsfunctionarissen proberen Amerikaanse donors over te halen hun geld in die fondsen te storten. Doordat de geldstroom naar de bezette gebieden uit bijna alle Ministeries en vele fondsen komt zal duidelijk zijn dat elke financiële steun aan Israël indirecte steun ter verwezenlijking van nederzettingen is.

Tegen deze achtergrond, de enorme investeringen en de grote voordelen, wordt duidelijk dat de stelling, dat de gang van Israëlische burgers naar de bezette gebieden deel uitmaakt van een 'natuurlijk proces', grote onzin is. Een recente uitspraak van Shamir is dat de kolonisten de band versterken tussen 'Het volk van Israël en haar land'. Als dezelfde investeringen en voordelen voor een willekeurig ander land zouden gelden zou ook daar een grote trek naar toe ontstaan.

Hoever de 'ideologische' kolonisten gaan mag blijken uit het voorbeeld van de joodse ondergrondse.
Tussen 1980 en 1984 voerde een groep van ongeveer 30 mensen, bijna allen van Gush Emunim, terreurdaden uit tegen Palestijnen (bomaanslagen op 3 Palestijnse burgemeesters in 1980, aanval op de Islamitische Universiteit in Hebronin 1983 en een mislukte poging tot het opblazen van bussen met Palestijnenin 1984). 25 kolonisten kwamen voor de rechtbank: 10 kregen lichte straffen, 12 straffen variërend van 4 maanden tot 7 jaar, en de 3 leiders, beschuldigd van moord, levenslang. Binnen 2 jaar was iedereen, op de 3 tot levenslang veroordeelden na, al weer vrij, de meeste hadden gratie van President Chaim Herzog gehad. De 3 tot levenslang veroordeelde hebben een aantal malen strafvermindering gekregen en zijn inmiddels ook al weer vrij.
Palestijnen zagen dit als een groen licht voor verdere gewelddadigheden van kolonisten, wat in de praktijk ook gebleken is. Kolonisten hebben gedurende de Intifada steeds meer militaire bescherming gevraagd en gekregen. Ze eisen harder optreden, en zijn daar zelf ook actief in: wegversperringen waar Palestijnen worden ondervraagd, geïntimideerd en vaak in elkaar geslagen; ontvoering van kinderen die, nadat ze mishandeld zijn, worden vrijgelaten of overgedragen aan de autoriteiten, beschuldigd van het gooien van stenen; voortdurende aanvallen op Palestijnse landbouwgrond, waarbij bomen en velden in brand worden gestoken.
 

Elk bouwplan voor de bezette gebieden wordt veel sneller uitgevoerd dan gelijksoortige plannen in Israëli zelf. Het is 30 tot 50% goedkoper om een huis in de bezette gebieden te kopen dan hetzelfde huis in Israël. Leningen zijn veel voordeliger, infrastructuur wordt gratis aangelegd, er zijn belangrijke belastingvoordelen. Dit alles zorgt er voor dat minder kapitaal- krachtige families min of meer gedwongen worden naar de bezette gebieden te verhuizen. De Israëlische regering dwingt niet direct tot het verhuizen, maar creëert eenvoudig de condities waardoor veel mensen zich gedwongen voelen te gaan, een groot deel van hen tegen hun wil.